Geschiedenis

Met de oprichting van een huis van opvoeding (kostschool) in 1820 te Voorschoten door Petrus de Raadt is de geschiedenis van Noorthey aangevangen. Het Genootschap Noorthey werd vervolgens in 1851 opgericht, om daarmee ook na een overlijden van Petrus de Raadt, zijn doelstelling van toegewijd onderwijs aan jongens, te continueren.

De huidige leden van het Genootschap zijn nazaten van oud-leerlingen van Noorthey. Het Genootschap verstrekt ondermeer leningen aan master/postmaster studenten.

Genootschap Noorthey komt voort uit het in 1820 door Petrus de Raadt opgerichte en in Voorschoten gevestigde jongensinternaat Noorthey. Petrus de Raadt stond als academicus hoog aangeschreven, hij had het ‘onderwijzen’ geleerd bij zijn vader te Rotterdam en had aan de Universiteit te Halle (Dld) in 1819 zijn doctorstitel behaald. Na bekende internaten in Duitsland, Zwitserland en Engeland te hebben bezocht voelde hij zich op 24 jarige leeftijd reeds krachtig genoeg om de leiding op zich te nemen van een huis van opvoeding. Hij kocht daarvoor in 1820 te Veur bij Voorschoten een buitenplaats, vroeger bewoond door de laatste afstammeling van het Rotterdamse geslacht Noorthey.

“Zijn” Noorthey was een school met als streven leerlingen van jeugdige leeftijd voor een langdurig verblijf te ontvangen en geestelijk rijp te maken voor de universiteit. Een beperkt aantal leerlingen (+/- 30) tussen 11-18 jaar die met elkaar als het ware een groot gezin vormden werden onderwezen door veelal inwonende leraren van verschillende nationaliteit. Er werden ook scherm, muziek-, en tekenlessen gegeven en zondags ging men naar de dorpskerk te Voorschoten, de Fransche Kerk te Leiden of Voorburg. De Raadt zag in ‘het spel’ een grote opvoedkundige kracht. ‘Het ergste’ zegt hij ‘is de verveling’, daarom was een eerste voorwaarde: houdt de jongelui in de vrije uren bezig. Mede daardoor ontstond een grote band tussen de leerlingen, hetgeen ondermeer bleek uit de grote opkomst bij de om de 5 jaar op Noorthey gehouden reunies.

Schilderij van Prins Willem geschonken aan NoortheyDat Noorthey een goede naam in het land had verkregen, bleek wel uit het feit dat Koning Willem III zijn oudste zoon Willem, 3 jaren als gewoon pupil aan de Raadt toevertrouwde (1851-1854). Na het vertrek van Prins Willem schonk de Koning aan Noorthey het door Pieneman geschilderde portret van de Prins van Oranje, dat in bruikleen is gegeven aan Paleis het Loo.

Bij het klimmen der jaren zocht de kinderloze de Raadt naar een middel om na zijn dood zijn doel, zijn ideaal, te verwezenlijken. Zo ontstond in 1851 het Genootschap Noorthey dat ondermeer tot bestemming had de belangen van het Instituut Noorthey te behartigen , de bestendiging ervan met behoud van zijn toenmalige richting te bevorderen, en het in zijn eigendom te aanvaarden, zodra hiertoe aanleiding zou zijn. Het Genootschap zou in de regel zijn leden kiezen uit oud-leerlingen. Voor de eerste maal benoemde de Raadt de leden en nam hijzelf de functie van voorzitter op zich, tot zijn overlijden in 1862. Na de verhuizing van de kostschool naar Stadswijk, ook in Voorschoten, moest de kostschool helaas om financiele redenen in juli 1907 worden opgeheven. Het Genootschap Noorthey bleef bestaan, zij het nu met nazaten van de oud-leerlingen als leden.

Het Genootschap heeft sindsdien beurzen verleend. Naar de Raadt’s ideaal, ” een tehuis van Opvoeding”, is in 1966 in Bloemendaal het Internaat Noorthey geopend, dat bestaan heeft tot 1978.

Het Genootschap geeft tevens sinds 1982 een gift aan het United World College.